NIEUWS

Leesfragment Mijn jaar van rust en kalmte

Ze is jong, slank, mooi, net afgestudeerd, woont in een appartement aan de Upper East Side van Manhattan dat ze – net als alles in haar leven – betaalt van een erfenis. Het is het jaar 2000 in een stad die glinstert van rijkdom en onuitputtelijke mogelijkheden. Desondanks is er een donker, luchtledig gat in haar hart en besluit ze om een jaar te gaan slapen. Benieuwd? Wij hebben alvast een leesfragment voor je uit Mijn jaar van rust en kalmte.

 

Telkens als ik wakker werd, overdag of ’s nachts, schuifelde ik door de lichte marmeren centrale hal van mijn flat naar de hoek van de straat waar een buurtwinkel was die nooit dichtging. Daar kocht ik twee grote bekers koffie met melk en zes suikerklontjes; de eerste klokte ik in de lift naar mijn verdieping naar binnen, en de tweede dronk ik langzaam op terwijl ik naar een film keek en dierenkoekjes at en Trazodon en Ambien en Nembutal innam tot ik weer in slaap viel. Op die manier raakte ik elk gevoel voor tijd kwijt. Er gingen dagen voorbij. Weken. Een paar maanden. Soms, als ik eraan dacht, bestelde ik eten bij de Thai aan de overkant van de straat, of een tonijnsalade bij het restaurantje aan First Avenue. Als ik wakker werd, stonden er voicemails van schoonheidssalons en spa’s op mijn telefoon met bevestigingen van afspraken die ik in mijn slaap had gemaakt. Ik belde altijd terug om ze af te zeggen, waar ik een hekel aan had want ik had er een hekel aan om met mensen te praten.

Helemaal aan het begin van deze fase liet ik eens per week mijn vuile was ophalen en kreeg ik de schone was terug. Het gaf me een gevoel van troost om de opengescheurde plastic zakken te horen ritselen in de bries die door de ramen in de woonkamer naar binnen kwam. Ik vond het fijn om een vleug van de geur van schone was te ruiken terwijl ik op de bank wegdoezelde. Maar na een tijdje vond ik het te veel gedoe om de vuile kleren te verzamelen en in de waszak te proppen. En het geluid van mijn eigen wasmachine en droger stoorde me in mijn slaap. Dus gooide ik mijn vuile onderbroeken gewoon weg. Ze deden me toch alleen maar aan Trevor denken. Een tijdlang werd er steeds allerlei ordinaire lingerie van Victoria’s Secret bezorgd – frullerige fuchsiapaarse en limoen groene strings, teddy’s en babydolls, allemaal in een doorzichtig etuitje geseald. Ik stopte die etuis in de kast en trok geen ondergoed aan. Zo nu en dan werd er een pakketje van Barneys of Saks gebracht met een mannen pyjama en andere spullen waarvan ik me niet kon herinneren dat ik ze had besteld – kasjmieren sokken, bedrukte t-shirts, designer jeans.

Ik douchte hooguit één keer per week. Ik stopte met mijn wenkbrauwen epileren en mijn tanden bleken, met waxen en mijn haar borstelen. Ik stopte met crèmes smeren, met scrubben en met scheren. Ik ging alleen heel af en toe naar buiten. Ik liet alle rekeningen automatisch afschrijven. Ik had al een jaar onroerendgoedbelasting vooruit betaald voor mijn appartement en voor het oude huis van mijn overleden ouders in de provincie. Elke maand werd de huur van de mensen die er nu woonden op mijn rekening gestort. Mijn werkloosheidsuitkering bleef binnenkomen zolang ik elke week een geautomatiseerde dienst belde en op ‘1’ drukte voor ‘ja’ als de robot vroeg of ik serieus mijn best had gedaan om werk te vinden. Dat was genoeg geld om de eigen bijdrage bij de apotheek en alles wat ik in de buurtwinkel kocht van te betalen. Daarnaast had ik nog beleggingen. De financieel adviseur van mijn overleden vader hield dat allemaal bij en stuurde me kwartaaloverzichten, die ik nooit las. Ik had ook nog een hoop geld op mijn spaarrekening – genoeg om een paar jaar van te leven als ik tenminste geen gekke dingen deed. En dan had ik ook nog een hoge kredietlimiet op mijn Visakaart. Over geld hoefde ik me geen zorgen te maken.
Ik was half juni 2000 zo goed mogelijk begonnen met mijn ‘winterslaap’. Ik was 26. Ik zag de zomer wegsterven en de herfst koud en grijs worden door een kapotte lamel van de jaloezieën. Mijn spieren verslapten. De lakens op mijn bed vergeelden, hoewel ik meestal op de bank voor de tv in slaap viel, een blauwwit gestreepte bank van de Pottery Barn, doorgezakt en onder de koffie- en zweetvlekken.

Als ik wakker was, deed ik behalve films kijken bijna niets. Gewone tv kon ik niet verdragen. Vooral in het begin maakte dat te veel in me los, dan zapte ik dwangmatig langs de zenders, zat ik overal op te schelden en mezelf overal over op te winden. Ik kon het niet aan. Het enige nieuws dat ik kon verdragen waren de sensatie koppen van de stadskranten in de buurtwinkel. Daar wierp ik een snelle blik op als ik mijn koffi e betaalde. Presidentsverkiezingen tussen Bush en Gore. Er was een belangrijk persoon overleden, er was een kind ontvoerd, een senator had gefraudeerd, een bekende sporter had zijn zwangere vrouw bedrogen. Er gebeurde van alles in New York – zoals altijd – maar het deed me helemaal niets. Dat was het mooie van slapen – de werkelijkheid maakte zich los en deed zich zo vluchtig als een film, of een droom, aan me voor. Het was makkelijk om dingen die me niet aangingen te negeren. Het metropersoneel staakte. Een wervelstorm stak op en waaide over. Het maakte allemaal niet uit. Er zou een invasie van buitenaardse wezens hebben kunnen plaatsvinden, er zou een
zwerm sprinkhanen kunnen zijn neergedaald, en hoewel ik dat zou hebben opgemerkt zou ik me er geen zorgen over hebben gemaakt.

Als ik meer pillen nodig had, ondernam ik de tocht naar de Rite Aid, drie huizenblokken verderop. Dat was altijd een pijnlijke onderneming. Op First Avenue kromp ik voor alles ineen. Ik was net een baby die geboren werd: de lucht deed pijn, het licht deed pijn, alle aspecten van de wereld kwamen schreeuwerig en vijandig op me over. Alleen op de dagen dat ik zulke excursies ondernam dronk ik mezelf moed in: een shot wodka voordat ik op pad ging en langs alle bistrootjes en cafés en winkels durfde te lopen waar ik vaak kwam toen ik er nog op uit ging en deed alsof ik een normaal leven leidde. Maar verder probeerde ik mijn actieradius tot één huizen blok te beperken.

De mannen die in de buurtwinkel werkten waren allemaal jonge Egyptenaren. Afgezien van mijn psychiater dokter Tuttle, mijn vriendin Reva, en de portiers van mijn fl atgebouw waren die Egyptenaren de enige mensen die ik regelmatig zag. Ze waren best knap, vooral een paar. Ze hadden vierkante kaken, een mannelijk voorhoofd, en fl inke, rupsachtige wenkbrauwen. En het leek alsof ze allemaal eyeliner op hadden. Het waren er wel een stuk of zes, broers of neven waarschijnlijk. Hun stijl stond me niet aan. Ze droegen voetbalshirts en leren motorjacks en gouden kettingen met een kruisje eraan en ze hadden altijd de hitzender z100 opstaan. Ze hadden totaal geen gevoel voor humor. Toen ik pas in de buurt was komen wonen, waren ze heel flirterig, tot vervelens toe. Maar toen ik op de vreemdste uren kwam binnenschuifelen met slaap in mijn ogen en schuim in mijn mondhoeken, probeerden ze niet meer bij me in de gunst te komen.

‘Je hebt daar iets,’ zei de man achter de kassa op een ochtend terwijl hij met zijn lange bruine vingers naar zijn kin wees. Ik
wuifde het nonchalant weg. Later ontdekte ik dat mijn gezicht onder de tandpasta zat.

Na een paar maanden slonzige, slaperige klandizie gingen de Egyptenaren me ‘boss’ noemen en pakten mijn vijftig cent aan als ik een peuk vroeg, wat ik vaak deed. Ik kon op wel meer plekken koffi e krijgen, maar deze buurtwinkel beviel me goed. Hij was dichtbij, de koffie was er altijd slecht, en ik kreeg nooit te maken met vervelende mensen die brioches en lattes  zonder schuim bestelden. Er waren geen kinderen met een snotneus en geen Zweedse au pairs. Geen kille zakenlui, geen mensen met hun date. De koffie in de buurtwinkel was arbeiderskoffie, koffie voor portiers, bezorgers, klusjesmannen, afwashulpen en schoonmakers. Het rook er sterk naar de geur van goedkope schoonmaakmiddelen en schimmel. Ik kon altijd vertrouwen op de beslagen diepvries vol ijs, ijsjes en plastic bekers ijs. De doorzichtige plastic kasten boven de toonbank zaten vol kauwgom en snoep. Er veranderde nooit iets; je had er nette rijen sigaretten, rollen krasloten, twaalf verschillende soorten fl esjes water, bier, gesneden brood, een koelvak met vleeswaren en kaas die niemand ooit kocht, een blad met oudbakken pistoletjes, een mand met in plastic verpakt fruit, en een hele wand met tijdschriften die ik meed. Ik wilde hooguit de krantenkoppen lezen. Ik hield me verre van alles wat mijn verstand zou prikkelen of me jaloers of bezorgd zou maken. Ik keek niet op of om.

Meer lezen? Je kunt het boek hier bestellen.