NIEUWS

Leesfragment Ik wil met je mee

Ben jij ook zo dol op de boeken van Jill Mansell? Heerlijke romantische verhalen, perfect om deze zomer mee op vakantie te nemen! Deze maand verscheen Ik wil met je mee in Rainbow. Wanneer Mimi voor het eerst haar vaders nieuwe huis in de Cotswolds bezoekt, raakt ze verliefd op het dorp en de mensen die er wonen, allen met hun eigen sores en gekkigheden. Vooral met Cal heeft ze meteen een klik. En nog iets meer. Hij is gastvrij, charismatisch en gewoonweg té knap. Maar het leven staat op het punt om een aantal onverwachte en schokkende wendingen te nemen. Het pad van Mimi en Cal zal steeds opnieuw kruisen – maar zal het ooit het juiste moment voor hen beiden zijn?

Benieuwd? Lees nu alvast een fragment!

 

Dus dit was het dan, het platteland. Nou ja, Mimi was in de loop der jaren natuurlijk wel af en toe de stad uit geweest, maar nooit zo naar ‘buiten’ als dit. Dit was wel heel echt.
Toch stapte ze onverschrokken de trein uit en snoof de melange van geuren op: lentegras, jonge blaadjes, vochtige aarde en ook een snufje koeienstront, dat waarschijnlijk kwam aanwaaien van het weiland dat aan de andere kant van het spoor lag, achter de bomen. Een paar zwartbonte koeien hieven loom hun kop om de vertrekkende trein na te kijken, daarna zwiepten ze even met hun staart en richtten vervolgens hun aandacht weer op belangrijker zaken: het uit de grond trekken van de graspollen.
Dit moest haast wel het allerkleinste station ter wereld zijn, echt heel snoezig, slechts één spoor, bespikkeld met wilde bloemen en onkruid. Er stond alleen een klein stenen wachthokje dat waarschijnlijk zou omvallen van schrik als het het reusachtige gebouw van Paddington Station zou zien.
Terwijl Mimi naar het gammele ijzeren hek liep, besefte ze dat het een behoorlijk grote denkfout was geweest om ervan uit te gaan dat er voor het stationnetje wel een taxi met een vriendelijke chauffeur uit de streek zou staan te wachten.
De enige andere passagier die was uitgestapt, een vrouw van in de zestig in een bruine geruite rok en op akelig verstandige veterschoenen, zei: ‘Pardon.’ Het kwam er nogal beledigd uit, waarschijnlijk omdat Mimi voor het hek bleef staan aarzelen.
‘O sorry! Het komt omdat – ik dacht dat er hier wel een taxistandplaats zou zijn.’
De vrouw trok haar wenkbrauwen op. ‘Echt?’
‘Ik ben net aangekomen uit Londen,’ legde Mimi uit. ‘Ik bedoel, ik wist wel dat het een klein stationnetje zou zijn, maar ik had niet gedacht dat er… dat er helemaal niets zou zijn.’
‘Nou, er is hier inderdaad helemaal niets. Zo leer je elke dag weer wat.’
Zeer behulpzaam. Mimi deed een nieuwe poging. ‘Oké, zou u me dan kunnen zeggen waar de bushalte is?’
De vrouw keek haar aan alsof ze van Mars kwam. ‘Er is hier geen bushalte. Want er rijden hier geen bussen.’
Wat?
‘Maar dat is belachelijk. Hoe moet ik dan komen waar ik naartoe wil?’
Mevrouw Ruitjesrok pakte haar autosleutel en vroeg ongeduldig: ‘Waar moet je dan naartoe?’
O, gelukkig. Mimi keek haar stralend van opluchting aan. ‘Naar Goosebrook.’
‘O, dan moet je aan het eind van het laantje linksaf en dan almaar rechtdoor. Gewoon de borden volgen.’
Tot Mimi’s verbijstering draaide de vrouw zich om en beende naar een smerige donkerblauwe Volvo, die slordig half in een berm vol paardenbloemen geparkeerd stond. Nadat ze was ingestapt, deed ze de raampjes open, keerde de auto en gebaarde naar Mimi dat ze aan de kant moest gaan zodat ze erlangs kon.
Wanhopig vroeg Mimi: ‘Kunt u me geen lift geven? Ik zou u eeuwig dankbaar…’
‘Het spijt me, ik moet de andere kant uit.’ Het klonk niet alsof het haar echt speet.
‘Maar hoe kom ik dan in Goosebrook?’
De vrouw schudde neerbuigend haar hoofd. ‘Je hebt toch benen? En twee voeten die het doen? Ik weet dat het een wild idee is, maar ik stel voor dat je ze gaat gebruiken.’
Meteen na die woorden stoof ze de smalle laan uit, precies op het moment dat de zon achter een wolk verdween en de eerste dikke regendruppels neervielen.
En dan hadden ze het altijd over die vriendelijke plattelandsbewoners en de magie van het buitenleven…
Een uur later was Mimi al een flink en erg nat eind opgeschoten. Een lichtpuntje was dat ze geen hoge hakken droeg, hoewel haar flatjes met hun ultradunne zolen ook niet echt comfortabel te noemen waren; ze voelde elke bobbel op de oneffen teerweg. En haar weekendtas bezorgde haar pijn in haar schouder, had ze maar haar rode koffer op wieltjes meegenomen.
Nou ja, ze had al zes kilometer afgelegd en nog anderhalve te gaan. En het was ook gestopt met regenen. De hemel was weer blauw, de vogels fl oten, in de bermen bloeiden de teunisbloemen, en in het weiland aan haar rechterhand stonden schapen, sommige ervan met pasgeboren lammetjes die bokkensprongen maakten in de zon…
Mimi bleef opeens stokstijf staan, geschrokken van wat ze zag. Ze begreep ook meteen wat er aan de hand was. Pasgeleden nog had ze op tv een reportage gezien over de recente toename van paardenmishandeling, dieren die buiten in de wei stonden, en nu gebeurde het voor haar ogen, alleen was het slachtoffer deze keer een schaap.
Er trok een scheut adrenaline door haar heen. Ze liet haar zware tas vallen, sprong over het lage muurtje heen en rende de helling af, op weg naar de gestalte die half verscholen achter wat struiken woest lag te worstelen met een schaap.
‘O, mijn god… Hou op!’ Ze versnelde haar pas, en het wat hogere gras zwiepte tegen haar blote benen. ‘Wat doe je? Laat dat schaap los!’
De man, die een spijkerbroek en poloshirt droeg, keek even zonder iets te zeggen op en vervolgde zijn gevecht met het schaap dat op haar rug lag. De korte poten grabbelden wild in de lucht, terwijl ze probeerde te ontsnappen.
‘Hou op, zeg ik!’ Op een paar meter afstand bleef ze staan. Je kon nooit weten of die gek geen mes bij zich had. ‘Laat hem los, anders bel ik de politie!’ schreeuwde ze.
Abrupt liet de man het schaap los en stond op. Geschrokken deed Mimi een paar passen naar achteren. Ze had hier niet goed over nagedacht; stel dat hij echt een gek was?
‘Laat me eens raden.’ Onder het praten schudde hij zijn natte haar uit zijn ogen en liet zijn blik over haar roze-wit gestreepte jasje, haar korte flodderige witte rokje en zilveren flatjes glijden. ‘Jij komt hier niet vandaan.’
Gelukkig, hij zwaaide niet met een wapen. En hij had ook een mooie stem, een beetje loom en geamuseerd. Nog nahijgend zei ze: ‘O, lekker makkelijk. Ik heb zilveren schoenen aan en zal dus wel uit de stad komen.’
‘Zoiets.’ Hij knikte. ‘Hoewel nog iets anders je heeft verraden: je noemde het schaap “hem”.’
‘God, wat een pedante opmerking. Ik wou gewoon dat die mishandeling stopte,’ wees ze hem erop. ‘Ik had geen tijd om mijn verrekijker te pakken om zijn geslacht te kunnen bestuderen.’
Blijkbaar had ze iets heel grappigs gezegd. De man beet op zijn onderlip, alsof hij zijn best moest doen om niet in lachen uit te barsten. ‘Bij dit soort schapen hebben de mannetjes hoorns. En dat noem je dan een ram.’
‘Dat kan wel, maar je was niet echt zachtaardig,’ reageerde ze, hoewel ze wist dat het een verloren strijd was. Toen het schaap ineens begon te mekkeren, sprong ze bijna in de lucht. ‘Het is nergens voor nodig om zo wreed te zijn tegen dieren, weet je.’
‘Oké, ik zal het je uitleggen. Ze is zwanger,’ zei hij geduldig. ‘En zo te zien krijgt ze een tweeling.’
Mimi wist niet wat ze hoorde. ‘Nou, des te meer reden om aardig voor haar te zijn!’
Hij glimlachte. ‘Haar vacht is doorweekt door al die regen, en ze heeft een enorme buik. Toen ze wilde gaan liggen, is ze op haar rug gerold, en nu kan ze niet meer overeind komen. Als ik haar zo laat liggen, gaat ze dood. Dus ik zou eigenlijk wel wat hulp kunnen gebruiken.’
Het gras was nat en glibberig, en het zware, zwangere schaap spartelde hevig tegen, maar na een paar minuten worstelen, hijgen en mekkeren, lukte het hun om haar overeind te krijgen.
Terwijl het schaap weer op adem probeerde te komen, hield de man, die geen gek of messentrekker bleek te zijn, het logge lijf tegen zijn benen. Daarna liet hij haar los, en ze keken samen het schaap na dat zonder hen nog maar een blik waardig te keuren naar de rest van de kudde terugliep.
‘Nog nooit van dank je wel gehoord zeker,’ merkte Mimi op.
‘Ja, erg, hè. En een bedankbriefje of -telefoontje valt ook niet te verwachten.’ Toen ze samen de heuvel weer op liepen, vervolgde hij: ‘Maar goed gedaan, hoor. Je hebt haar leven gered. Niet slecht voor een stadsmens.’
‘Dank je. En sorry dat ik tegen je schreeuwde.’
‘Geeft niks. Het was goed bedoeld. Waar ga je trouwens naar toe?’
‘Naar Goosebrook.’ Zich afvragend of haar gezicht erg glom, veegde ze stiekem even met haar mouw langs haar voorhoofd. Ze wilde niet dat hij haar nuffi g zou vinden.
‘O, daar woon ik.’ Ze waren inmiddels bij het hek aan de weg aangekomen waar een donkerbruine terriër op hem stond te wachten. Terwijl de man de riem losmaakte die hij aan een paal van het hek had bevestigd, zei hij: ‘Dit is Otto. En ik heet Cal.’
‘En is dat jouw kudde?’ Het drong nu pas tot haar door dat hij een boer was.
‘Nee, ze zijn niet van mij.’ Hij grinnikte. ‘Ik ben alleen maar even gestopt om een dame in nood te helpen.’
Otto ging op zijn achterpoten staan en duwde zijn snuit tegen Mimi’s hand om haar aandacht te trekken. Ze aaide zijn scheve oren. ‘Hallo, wat ben jij een mooie hond!’ Toen richtte ze zich weer tot Cal. ‘Ik heet Mimi. Nou ja, eigenlijk Emylia. Maar ze noemen me meestal Mimi.’ Nu ze niet meer werd afgeleid door het schaap, zag ze dat hij glanzend, steil haar had met lichte strepen erdoor van de zon. Zijn wenkbrauwen en wimpers waren donker, en het wit van zijn bruine ogen was spierwit. Zijn gezicht was getaand, alsof hij veel buiten was, en hij was atletisch gebouwd.
‘Mimi. Leuk. Hoelang blijf je hier?’
Aha. Hij had haar dus ook even bestudeerd. Jammer dat ze er niet op haar best uitzag. Hardop zei ze: ‘Gewoon een paar dagen.’
‘Heb je een vakantiehuisje gehuurd?’
Ze kreeg meteen dat ongemakkelijke gevoel weer, en haar hart ging sneller slaan, zelfs na al die jaren nog. Ze zou er inmiddels toch aan gewend moeten zijn. Haar rug rechtend zei ze: ‘Nee, ik logeer bij mijn vader. Hij woont in Goosebrook.’
Cal keek haar verbaasd aan. ‘Echt? Wie is je vader dan?’
‘Wacht even, ik heb mijn tas…’ Ze draaide zich om voordat hij kon zien dat ze bloosde en rende terug naar de plek waar ze haar tas had neergegooid, in een ondiepe greppel dicht tegen het muurtje aan. Ze hield veel van haar vader en ze schaamde zich ook niet voor hem, maar het was altijd een lastig moment wanneer mensen ontdekten dat ze zijn dochter was, en ze moest aanhoren wat ze dan ook over hem te zeggen hadden.
Meestal kon het haar natuurlijk niets schelen wat mensen vonden, omdat ze toch onbelangrijk voor haar waren. Maar soms leerde ze iemand kennen die ze intuïtief aardig vond, en dan was ze bang dat diegene iets onaardigs of beledigends over hem zou zeggen. Hopelijk was hij niet zo.
Terwijl ze zich voorbereidde op wat er dan ook komen ging, liep ze terug naar Cal en Otto. Als een idioot hield ze haar tas op en zei: ‘Gevonden! Nooit een goed idee om je tas in een greppel te laten liggen als je ergens gaat logeren!’
Otto kwispelde en nam haar onderzoekend op.
En Cal, die haar minstens zo onderzoekend opnam, zei: ‘Zal ik eens raden?’
‘Eh, nou ja, als je dat per se wil.’ Zou hij nou echt willen weten wat ze allemaal had meegebracht? Als het hem inderdaad lukte om te raden dat de inhoud van haar tas bestond uit een pyjama met een grijs-witte olifantprint, een vruchtencake van Fortnum and Mason en een stuk of vijf detectives, dan zou ze diep onder de indruk…
‘Ben je soms de dochter van Dan Huish?’
Ze staarde hem aan. ‘Ja! Hoe weet je dat in vredesnaam?’
Haar vader had haar gisteravond nog verteld dat niemand in het dorp wist van haar bestaan.
Schouderophalend zei hij: ‘Je lijkt op hem.’
‘O. Vind je? Ik bedoel, ik lijk wel een beetje op hem, maar meestal ziet niemand dat. Ik lijk meer op mijn moeder.’
‘Ik kan goed kijken.’ Hij glimlachte. ‘Je hebt dezelfde ogen. Groen, diepliggend. En dezelfde vorm gezicht. Alleen heb je wel wat meer haar.’
‘Ja, als het daarom gaat, win ik glansrijk.’ Mimi haalde een hand door haar bruine haar dat in de regen altijd veranderde in een onhandelbare krullenbos.
‘We wisten niet dat hij een dochter had. Kom je hier voor het eerst?’ Een beetje aarzelend en met een behoedzame blik in zijn ogen voegde hij eraan toe: ‘Weet hij wel dat je komt?’
Geroerd door zijn bezorgdheid zei ze: ‘Ben je soms bang dat ik straks de schrik van mijn leven krijg? Dat is nergens voor nodig, hoor, ik weet dat mijn vader homo is.’